Geschiedenis van Dagpo Shedrub Ling

Dagpo Shedrub Ling, ook wel Dagpo Dratsang genoemd, is een kloosteruniversiteit waar de boeddhistische filosofie wordt bestudeerd, gesticht door Je Lodrö Tenpa in het midden van de 15e eeuw in Zuidoost Tibet.

Ontstaan van Dagpo Shedrub LIng

Het boeddhisme is ongeveer 500 jaar voor onze jaartelling ontstaan in India en vanaf 600 AC in Tibet verspreid. Vanaf de 11de eeuw ontstonden daar diverse scholen, waarvan de jongste, de Gelugpa-school, is gesticht door Je Tsongkhapa (1357-1419).
Deze buitengewoon grote boeddhistische geleerde en leraar vatte de boeddhistische methoden samen in De grote verhandeling van de stadia van het pad naar de verlichting (ook bekend als de Grote Lamrim).
Kort nadat hij dit werk had voltooid, kreeg Je Tsongkhapa bezoek van zijn leerling Lodrö Tenpa. De grote leraar zegende zijn leerling door zijn hoofd aan te raken met een kopie van de tekst. Daarna overhandigde hij hem de kopie met het verzoek een klooster te stichten in Zuid Tibet om daar de tekst te onderwijzen, te bestuderen en te verspreiden.
Rondom Je Lodrö Tenpa verzamelde zich een aantal leerlingen en zo ontstond geleidelijk een kloostergemeenschap in de Dagpo-streek in Zuid Tibet, later het Dagpo Shedrub Ling klooster genoemd. Vanwege zijn connectie met het lamrim-onderricht van Je Tsongkhapa staat Dagpo Shedrub Ling ook bekend als Lamrim Dratsang.

De stichter

Je Lödro Tenpa werd geboren in een klein dorpje in Tsang, een streek in West Tibet. Al op jonge leeftijd werd duidelijk dat het een intelligent en begaafd kind was. Op zijn elfde jaar werd hij tot monnik gewijd. Vanaf die tijd volgde hij de traditionele kloostertraining en bestudeerde hij alle belangrijke filosofische werken. Hij was een leerling van Je Tsongkhapa, maar zijn belangrijkste leraar was Gyeltsab Je (1364-1431), een van de voornaamste leerlingen van Je Tsongkhapa, tevens diens opvolger als hoofd van de Gelugpa-school.

15e - 20e eeuw

Nadat Je Tsongkhapa hem de opdracht had toevertrouwd om te zorgen voor het doorgeven en behouden van het lamrim-onderricht, verbleef Je Lodrö Tenpa een aantal jaar in het Sangpu-klooster. Toen hij dat verliet, besloot hij dat de tijd was gekomen om gehoor te geven aan de opdracht die hij had gekregen. Met dat idee reisde hij naar Zuidoost Tibet, waar hij in verschillende kluizenaarswoningen in Dagpo en Lokha mediteerde. Omdat hij bij steeds meer mensen bekend werd als een echte geleerde en een gerealiseerde mediteerder, kwamen velen hem om instructies en begeleiding vragen. Al snel kreeg hij een aantal volgelingen waaronder Gomchen Ngawang Dragpa, zijn latere opvolger. Zo ontstond de kloostergemeenschap Dagpo Dratsang. Oorspronkelijk hadden ze geen vaste woon- of verblijfplaats: de monniken trokken van het ene klooster naar het andere. Ze studeerden en reciteerden gebeden ter plaatse en gingen er met medemonniken in debat. Na enige tijd vestigden ze zich in een klein klooster met de naam Trakteng, maar ze bleven ook van plaats naar plaats trekken, bedelend om voedsel. Op een dag trokken ze rond in het Eay district en ontmoetten daar een edelman, Heer Lhagyari, wiens familie afstamde van de koningen van Tibet. Hij was zo onder de indruk van de gemeenschap dat hij beloofde ze voortaan te voorzien van de dagelijkse levensbehoeften. In Tibet is het altijd traditie geweest dat leken de kloosters ondersteunden in ruil waarvoor de monniken diensten verleenden op spiritueel gebied. De monniken van Dagpo Dratsang beloofden dat ze door gebeden er voor zouden zorgen dat er altijd een mannelijke opvolger zou zijn in de familie Lhagyari. Voor dat doel reciteerden ze verschillende malen per dag de Lofzangen aan Tara.
Tot het jaar 1959 heeft deze familie het klooster financieel gesteund en elke generatie van het geslacht Lhagyari heeft een mannelijke erfgenaam voortgebracht. (Tijdens de opening van het nieuwe Dagpo Shedrub Ling in 2005 was de laatstgeboren erfgenaam van deze familie, toen 15 jaar, aanwezig in traditionele koninklijke kledij. Helaas heeft de familie niet meer de financiële middelen om het klooster te kunnen steunen.)

Enige jaren later werd Je Lodrö Tenpa naar Lhasa geroepen om de zesde Ganden Tripa te worden. Bij die gelegenheid benoemde hij Gomchen Ngawang Dragpa tot abt van het klooster. (De Ganden Tripa’s zijn de opvolgers van Je Tsongkhapa als hoofd van de Gelugpa-school en worden steeds voor een aantal jaren benoemd. Door de jaren heen zijn nog vele leraren van het klooster benoemd tot Ganden Tripa).

Onder leiding van Gomchen Ngawang Dragpa vestigde de gemeenschap zich in een oud kagyu-klooster in Gyatsa in Dagpo. Daarmee werd onder de naam Thösamling de eerste kloosteruniversiteit voor gevorderde boeddhistische filosofie studies gesticht.

Na verloop van tijd werd Shenyen Chöpelwa, de eerste disciplinair van de gemeenschap, de derde abt. De kloostergemeenschap telde inmiddels 300 leden. Toen deze abt hoorde dat de tweede Dalai Lama, Gendün Gyatso (1476-1542) in Zuid Tibet was, nodigde hij hem uit om in Thösamling les te komen geven en bood hem het klooster aan. Zo werd Gendün Gyatso de vierde abt. De nauwe band die toen tussen de Dalai Lama’s en het klooster ontstond, bestaat nog steeds.

Ergens in de 17e eeuw werden de gemeenschappen van Trakteng en Thösamling samengevoegd en vestigden ze zich in een ander, verlaten en vervallen, kagyu-klooster gelegen op de rechteroever van de Brahmaputra recht tegenover Trakteng. Het klooster kreeg de nieuwe naam Dagpo Shedrub Ling, deels de oude naam van het kagyu-klooster, en is sindsdien op die plaats gebleven. Er werden nieuwe gebouwen geconstrueerd op de overblijfselen met inachtneming van de oude architectuur. Zo werd op het dak van de nieuwe tempel een dharma-wiel geplaatst met aan weerszijde een staand hert in plaats van de zittende die men gewoonlijk ziet, omdat dit ook door de stichter van het kagyu-klooster, een vroegere Karmapa Rinpochee, was gedaan. (Op het dak van de tempel van het nieuwe Dagpo klooster in India ziet men eenzelfde dharma-wiel).

Door de tijd heen groeide Dagpo Shedrub Ling uit tot een gemeenschap van meer dan 600 monniken. Het werd een van de drie beroemde kloosters in Zuid Tibet. Het bracht vele belangrijke geleerden in de boeddhistische filosofie voort en grote mediteerders die door hun inspanningen de hoogste realisaties bereikten. De gemeenschap ging door met het respecteren van de belofte van zijn stichter en heeft in een ononderbroken lijn het onderricht van de Lamrim van leraar op leerling doorgegeven tot aan 1959, het jaar waarin de situatie van Tibet dramatisch veranderde door de Chinese bezetting.

1959-heden

Door het ingrijpen van de Chinese overheid kwam er in 1959 een abrupt einde aan het vredige bestaan van de monniken in Dagpo Dratsang. Een aantal monniken vluchtte. Van de overgebleven monniken werden er vele gevangen gezet of tot dwangarbeid veroordeeld. Door de zogenaamde heropvoeding werd in het klooster een sfeer van wantrouwen en onrust gecreëerd. Tijdens de culturele revolutie in de jaren zestig werden de overgebleven monniken gedwongen het klooster te verlaten en is het met de grond gelijk gemaakt. In de twintig jaar die daarop volgden, kampte de gemeenschap met grote problemen. Desondanks zagen zij kans een paar belangrijke boeddhistische geschriften en beelden te bewaren, iets wat gezien de context een heroïsch feit kan worden genoemd.
Rond 1983 gaf de Chinese overheid toestemming om in een hoekje van het oude terrein weer een eenvoudig klooster neer te zetten. Beetje bij beetje groeide het aantal monniken tot tachtig. In 1995 was er echter opnieuw een golf van heropvoeding en werden veel monniken weggestuurd. Op dit moment leven er ongeveer vijftig monniken die in weerwil van de constante druk van de Chinese overheid hun uiterste best doen de traditionele manier van studeren en leven vast te houden.

Jaren van overleven in India

Ongeveer vijftien monniken slaagden erin om naar India te vluchten, waaronder Dagpo Rinpochee Jamphel Gyatso. Zij vestigden zich in de grensstreek van Noordwest India, vlak bij de Tibetaanse grens. In 1960 werd Dagpo Rinpochee uitgenodigd om naar Frankrijk te komen om Franse tibetologen bij hun werk te helpen. Daarna onderwees hij de Tibetaanse taal en cultuur aan het I.Na.L.C.O. dat is verbonden aan de Sorbonne Universiteit in Parijs. Vanaf 1959 tot op de dag van vandaag is Dagpo Rinpochee een onuitputtelijke steun en inspiratiebron voor de monniken van Dagpo Shedrub Ling.
In 1979 werd aan de gevluchte monniken een klein klooster in Bomdila in Noordoost India ter beschikking gesteld. Daarmee kwam er een einde aan hun omzwervingen. De gemeenschap groeide aan tot vijftig monniken en in 1981 gaf de regering in ballingschap van Zijne Heiligheid de Dalai Lama hen een klein klooster in bruikleen in de Tibetaanse nederzetting Mainpat in Centraal India. Daar lukte het de oude manier van werken en studeren weer op te pakken. Helaas brak vlak na hun vestiging malaria uit. Vanwege deze en nog andere problemen werd in 1996 besloten naar een toegankelijkere en gezondere plaats uit te kijken om een nieuw klooster te bouwen. Op 11 mei 2005, in Kaïs in de Kullu Vallei in Noord India, wijdde Zijne Heiligheid de Dalai Lama het nieuwe kloostercomplex in en accepteerde hij de aangeboden functie van abt. Inmiddels wonen en studeren er 140 monniken. Op het terrein van het klooster is tevens een kostschool gebouwd waar ongeveer honderd jongens en meisjes onderwijs krijgen.

Om te trainen in het opgeven van gehechtheid aan een vaste plaats, reisde de kloostergemeenschap in Tibet verschillende maanden per jaar te voet naar andere locaties terwijl ze doorgingen met studeren en het reciteren van gebeden. Het klooster in Mainpat wordt nog steeds verschillende maanden per jaar door monniken van Dagpo Dratsang gebruikt, waarmee de oude tradities van het beoefenen van onthechting en het aanbieden van religieuze diensten aan de lokale Tibetaanse gemeenschap worden voortgezet.